Bijgewerkt op 06 jul 26 door

Waarom spelen we?

» EXTRA MATERIAAL

Waarom spelen we

Door: Clara

Eten, sex, spelen - veel dingen beheersen onze dag, maar deze drie lijken de belangrijkste te zijn. Terwijl eten en voortplanting al lang bovenaan de lijst met menselijke noden staan, wordt het spel vaak afgedaan als kinderlijk, belachelijk en wordt het zelfs bestreden: blijkbaar omdat het aan veel andere activiteiten te koppelen is.

 

We kunnen ons werk veraangenamen door te spelen, iets wat op school wordt geprobeerd (en vaak pijnlijk mislukt). We kunnen financiële risico's of sportieve bezigheden tot een spel verheffen, sex-spelen zijn ons eveneens duidelijk en vooral kinderen lukt het steeds weer om eten tot een spel te maken. Maar wie zou er op het idee komen om tegelijkertijd met voeding en sex bezig te zijn?

Misschien maakt juist dit universele het spelen sinds duizenden jaren tot een belangrijk gedeelte van onze leven. Dobbelstenen, waarvan archeologen de oudste op 5000 jaar schatten, getuigen ervan dat mensen afwisseling en plezier zochten in spelen, zelfs in een tijd waarin ze bijna al hun kracht nodig hadden om te overleven.

De oude Egyptenaren verdreven hun tijd met bokspringen, balwerpen en zwemwedstrijden. De Romeinse dichter Iuvenal zegt in een satire dat het volk met 'brood en spelen', panem et circenses, tevreden kan worden gehouden. In de middeleeuwen probeerden veel vorsten en koningen om het geluksspel, dat vaak met excessen was verbonden, te laten verbieden, maar nooit met succes.

De door John Neumann in de jaren veertig ontwikkelde speeltheorie, die aanneemt dat ons spelgedrag representatief is voor ons gedrag in de realiteit, is tot vandaag de dag een belangrijk onderdeel van de bedrijfspsychologie.

Simpel gezegd willen we aannemen dat een handeling drie doelen bezit, die belangrijk kunnen zijn: Het proces zelf, de directe uitkomst van de processen en de langetermijn-effecten.

Dit is te verduidelijken met een sportvoorbeeld: Over het algemeen beoefenen we sport om fit en tot prestaties in staat te zijn, dus de consequentie. Het resultaat van een bezoek aan een fitness-studio is echter eerder dat we moe zijn en stress afbouwen. De actieve prestatie op het trainingsapparaat is het proces, dat zowel plezier en ergenissen biedt. Bij het spelen raken de consequenties op de achtergrond: We spelen procesgeoriënteerd, omdat we plezier hebben in het spelen en over het algemeen resultaatgeoriënteerd zijn. We willen namelijk winnen.

Maar wat vinden we nou zo aantrekkelijk aan spelen? Psychologen geven ons meerdere aanknopingspunten, waarvan we er vier nauwkeuriger neer zullen zetten.

Allereerst is het een belangrijke eigenschap van het spel dat we het vrijwillig doen. Niemand dwingt ons om te spelen, niemand beloont ons ervoor dat we spelen. Uit een spannend experiment van Lepper et al. (1972) bleek dat kinderen helemaal de zin in spelen verliezen wanneer ze daarvoor een beloning wordt beloofd. Stefan Zweig stelt in zijn schaaknovelle een hernoeming van bepaalde spelen voor, door aan te geven dat je schaak niet speelt, maar beoefend. Zo beoefenen we bijvoorbeeld ook piano of viool en dromen veel jongens ervan om een voetballer te worden.

Aan de andere kant stellen spellen een uitdaging aan de speler. Is die uitdaging te groot en het spel te moeilijk, dan geven we gefrusteerd op. Is ze daarentegen te klein en het spel te gemakkelijk, dan zoeken we een ander. Daarbij moeten we in de gaten houden dat 'te moeilijk' en 'te gemakkelijk' relatief zijn, gemeten naar de wensen en vaardigheden van de speler: Een aantal spelers houden van een hoge uitdaging, waarvoor ze uren of dagen nodig hebben om te verslaan. Anderen zijn tevreden met een nauwelijks merkbare uitdaging; mijn oma en opa hebben heel veel plezier aan het gemeenschappelijke tennisspel, terwijl mijn opa en Roger Federer beiden bij een gezamelijke match weinig positiefs zouden kunnen winnen.

Twee nieuwere psychologische ideeën zijn de 'competitiemotivatie' en de 'zelfwerkzaamheid'. De eerste is oorspronkelijk een begrip uit de evolutiepsychologie, die volgens Robert White de verbinding tussen levensbelangrijke competitie en het verlangen om deze competitie te leren, met elkaar verbindt.

Zo is bijvoorbeeld reproductief gedrag iedere soort eigen om zich voort te planten, maar toch zal niemand tegenspreken dat een talrijk voorgeslacht allang niet meer het primaire doel is van geslachtsverkeer. In een spel waaraan we plezier hebben, streven we ernaar om expertise te verkrijgen die ons beter in dat spel laat worden.

Tot slot vind ik het noemenswaardig dat we in spelen een niet te vergelijken grotere zelfwerkzaamheid beleven dan in de realiteit. Deze term beschrijft de overtuiging dat onze handelingen juist die werking zullen hebben, die we in de zin zouden hebben wanneer we ze zouden hebben uitgevoerd. Daarbij hoort: In het spel handelen we autonoom, meestal vrij van de invloed van anderen (in de realiteit koersen we door een ingewikkeld net van wederzijdse afhankelijkheden). We zien de directe resultaten van onze speelwijzen, die over het algemeen een tijdelijke nabijheid aangeven (in de realiteit kan het zijn dat we meerdere jaren moeten wachten, bijvoorbeeld op een gerechtelijk besluit). Bovendien maken de startvoorwaarden, die voor alle spelers misschien gelijk zijn, het ons mogelijk om meteen een eigen fout beter te beoordelen, op te lossen en ervan te leren.